anonieme blogger

In deze gastblog deel ik deel 2 van de anonieme blogger. Ze vertelt hierin hoe haar tijd in de kliniek was en hoe haar dagen er uit zagen bijvoorbeeld. Een mooi, maar heftige blog als vervolg op deel 1. Op korte termijn zal ook het derde en laatste deel verschijnen. 

Mijn eerste week was vooral wennen. Wennen aan een éénpersoonsbed, op vaste tijden eten en vooral: niet meer binnen roken. Om een sigaretje op te steken moest ik maar liefst driekwart van het gebouw door om aan mijn nicotine te komen. Zo kwam mijn nieuw verworven maatje met het idee om dan maar op de brandtrap naast de woonkamer te gaan zitten. Helemaal prima! Na de koffie in de avond vroeg ik aan haar “Wil je naar beneden of op de brandtrap?”. Ik flapte het er zomaar uit waar de therapeut bij was. Natuurlijk mochten we helemaal niet op de brandtrap zitten! Ik stamelde iets over regels en onwetendheid.

Zingen deden we veel. Heel veel. Ik zing nooit, zeker niet waar anderen bij zijn. Maar ik voelde me gesteund, een gelijke en ik voelde me vrij om te zingen. Regelmatig werd er door één iemand op de meest onmogelijke tijden een liedje ingezet, en de rest van de vrouwen zong dan uitbundig mee. Het was fantastisch!

Er moest natuurlijk ook gewerkt worden. Ik keek in het diepste van mijn ziel, en schrok van wat ik daar zag. Een pubermeisje die zichzelf diep grondig haatte. Een heel klein meisje dat gepest werd, verdrietig was en zich onbegrepen voelde. En dan het mishandelde meisje. Het geslagen meisje. Het met de dood bedreigde meisje. Ik zag ze allemaal in mij. Allemaal onverwerkt, allemaal onbegrepen, en allemaal vol verdriet en pijn.

Ik schrok wat ik zag, een meisje dat zichzelf enorm haatte. 

Ik wou om al die meisjes een arm slaan. Zeggen dat het oké is, dat het oké is om pijn te voelen, om verdriet te voelen. Maar er was één iemand die ze begreep en dat was ik. Ik was klaar om te verwerken. En dat deed ik. Ik bracht niet veel in tijdens therapie, maar ik dacht veel na. Over mezelf, mijn verleden. En later ook mijn toekomst.

‘s Avonds zat ik vaak bij de nachtdienst. Ik mocht hem graag, hij begreep me, luisterde. Hij vertelde me niet wat goed of slecht was, maar stelde heel persoonlijke vragen. Op menselijk niveau. Ik voelde me een gelijke, ook al had ik mijn pyjamabroek aan, mijn oversized vest over mijn schouders en mijn haar in model vogelnest. Hij snapte me. Ik ben hem zoveel dankbaar.

Toen het net wat beter ging, kwam er een onverwachte wending. Mijn test. Op een vrijdagmiddag probeerde mijn vader me te bellen. Ik was net aan het lunchen en had mijn telefoon niet bij me. Hij stuurde me een berichtje. Mijn kat was overleden, mijn maatje. Mijn grootste steun in alle ellende, en nu was hij er niet meer. Ik wou graag afscheid nemen, maar mijn vader had zijn lichaampje al door de gemeente op laten halen. Het voelt nog steeds als een open einde.

Net toen het beter ging overleed mijn kat, mijn maatje. Afscheid nemen kon al niet meer.

Het weekend ging redelijk.Ik kwam die maandag weer terug in de kliniek. Mijn groep begon te babbelen, de therapeut kwam binnen en na een paar minuten werd het stil. Ik kon niet vrolijk doen, het lukte me gewoon niet. Nadat de therapeut vroeg wat er was, ben ik opgestaan en hyperventilerend naar de verpleging gelopen. Huilend en hyperventilerend deed ik mijn verhaal. Over mijn katje, mijn lieve katje. Ze stelde voor om tijdens creatieve therapie wat te maken, om het te verwerken. En dat deed ik.

Ik ging regelmatig de fout in, vooral als het op zelf beschadiging aankwam. De laatste keer dat ik mezelf beschadigde, kwam mijn vertrouwenspersoon naar me toe. Ze keek naar me, en zei “Ik moet je wonden bekijken om te zien of het gehecht of verzorgd moet worden.”. Ik schrok me kapot. Niet veel later stond ik in mijn onderbroek en beha voor mijn vertrouwenspersoon. Mijn armen van mijn handen tot mijn schouders onder de kleine sneetjes, mijn benen van mijn knieën tot mijn heupen onder de diepere sneeën. Mijn vertrouwenspersoon keek naar me, raakte hier en daar een plekje aan. Ik voelde me niet geïntimideerd. Ik voelde me juist enorm gesteund. Ze keek naar me met een blik vol medelijden. Niet neerbuigend, maar alsof ze oprecht mijn pijn voelde. Met die blik in haar ogen zei ze “Het hoeft niet gehecht te worden. Meisje, waarom zou je in vredesnaam je lichaam zo de vernieling in helpen?”. Ik kon haar geen antwoord geven. Maar beschadigde mezelf nooit meer opnieuw.

Het was mijn eerste stap op weg naar een leven buiten de kliniek.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *